Begrotingscyclus

Aangezien de begroting een raming is van de vermoedelijke uitgaven en ontvangsten voor een toekomstig jaar, houdt ze per definitie een onzekerheidsfactor in. Pas tijdens de uitvoering van de begroting (begrotingsjaar) tekenen de exacte ontvangsten en uitgaven zich af. Voor een globaal overzicht en om de begroting af te sluiten is het wachten tot het einde van het jaar.

De begrotingscyclus bestrijkt dus eigenlijk een periode van drie jaar en wordt uitgesplitst in drie grote fasen:

  1. Voorbereidende fase of opmaak van de federale begroting (begrotingsjaar - 1)
  2. Fase van de uitvoering van de begroting op federaal niveau (begrotingsjaar)
  3. Fase van de afsluiting op federaal niveau (begrotingsjaar + 1)

 

Voorbereidende fase of opmaak van de federale begroting (begrotingsjaar - 1)

In de eerste fase van de begrotingscyclus bereidt de regering de ontwerpbegroting voor en legt ze ter goedkeuring voor aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Het grootste deel van de technische begrotingsvoorbereiding gebeurt onder toezicht en impuls van de Minister van Begroting, daarin bijgestaan door de FOD BOSA (DG Begroting en Beleidsevaluatie) en de Inspectie van Financiën.

De voorbereidende fase of de opmaak van de begroting verloopt als volgt:

April: alles begint met een omzendbrief van de Minister van Begroting waarin aan de betrokken organisaties richtlijnen en technische parameters worden meegegeven voor de opmaak van hun begroting. Daarnaast geeft de omzendbrief uitleg bij de begrotingsopmaakprincipes. Op die manier wordt een homogeen, samenhangend begrotingsbeleid nagestreefd.

Op basis van deze omzendbrief worden de gebruikte begrotingssoftwares (eXL-Budget en eBMC) aangepast en ter beschikking gesteld van de betrokken organisaties. Deze applicaties werden ontwikkeld door de FOD BOSA en bevatten dus alle begrotingsgegevens voor de opmaak en de uitvoering van de begroting.

Mei: aan de hand van de richtlijnen in deze omzendbrief stelt elke federale minister met zijn administratie een voorafbeelding van zijn begroting op. Vooraleer het voorstel ingediend wordt bij de Minister van Begroting wordt het voor advies voorgelegd aan de Inspectie van Financiën. Ook de instellingen bereiden hun begroting voor, maar zij leggen hun begrotingsvoorafbeelding ter advies voor aan hun Regeringscommissaris of aan de afgevaardigde van de Minister van Begroting.

Juni: op basis van een nota van de FOD BOSA worden de begrotingsvoorstellen besproken op bilaterale vergaderingen tussen de betrokken minister en de Minister van Begroting, die bijgestaan worden door hun respectievelijke administraties. Vervolgens worden de vertegenwoordigers van de vice-eersteministers erbij geroepen, zodat er een trilateraal overleg ontstaat. De FOD BOSA maakt het verslag op van deze vergaderingen.

Nadat deze vergaderingen hebben plaatsgevonden en nadat de weerhouden bedragen ingevoerd werden in eXL-Budget en eBMC stelt de FOD BOSA een samenvattende nota op voor de beleidscellen  (vroeger heetten deze “ministeriële kabinetten”). Deze nota dient als werkbasis bij de opmaak van het rapport van het Monitoringcomité. De cijfers worden daarna afgesloten in de bovenvermelde begrotingssoftware.

September: er vinden postbilaterale vergaderingen tussen de beleidscellen plaats over de knelpunten betreffende de primaire uitgaven waarover nog geen akkoord bereikt werd op de bilaterale en trilaterale vergaderingen. Er kan eventueel overgegaan worden tot de verzameling en evaluatie van de ramingen van de fiscale ontvangsten, de interestlasten, de ontvangsten en uitgaven van de socialezekerheidsstelsels, … De FOD BOSA kan in dit stadium simulaties maken op vraag van de beleidscel van de Minister van Begroting.

September-oktober: de ministers komen bijeen in begrotingsconclaaf waarbij ze politieke besprekingen voeren en de cijfers goedkeuren. Vervolgens dient de Minister van Begroting, uiterlijk op 15 oktober van het jaar dat het begrotingsjaar voorafgaat, de begrotingsdocumenten die werden opgemaakt door de FOD BOSA bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers in.

November-december: de begrotingsvoorstellen worden eerst besproken in de Kamercommissie Financiën en Begroting. Tijdens die besprekingen krijgt de Minister van Begroting de gelegenheid om te antwoorden op de interpellaties van de parlementsleden. Het Rekenhof treedt hierbij op als begrotingsspecialist van de Kamer.

De begrotingsvoorstellen worden vervolgens verder besproken in plenaire vergadering en worden uiterlijk op 31 december goedgekeurd. Op die manier vervult de Kamer van Volksvertegenwoordigers één van haar grondwettelijke prerogatieven. Na hun goedkeuring en afkondiging worden de begrotingswetten in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

 

Fase van de uitvoering van de begroting op federaal niveau (begrotingsjaar)

De tweede fase van de begrotingscyclus is de uitvoering van de begroting door de regering. Deze fase bestaat enerzijds uit de inning van de in de Rijksmiddelenbegroting geraamde ontvangsten en anderzijds uit het realiseren van de door de Kamer van Volksvertegenwoordigers in de Algemene Uitgavenbegroting goedgekeurde uitgaven.

In de loop van het begrotingsjaar kunnen wijzigingen aangebracht worden. Zo wordt in februari de begroting volledig onderzocht tijdens een begrotingscontrole en volgen er eventueel bijsturingen.

Na deze begrotingscontrole worden de aanpassingen aan de begroting in de vorm van een aanpassingsblad ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die ze bespreekt en goedkeurt. Indien nodig worden er in de loop van het jaar, volgens dezelfde procedure, nog andere specifieke aanpassingen doorgevoerd.

 

Fase van de afsluiting op federaal niveau (begrotingsjaar + 1)

Omdat de begroting een raming is van de ontvangsten en uitgaven, is het belangrijk dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers na elk begrotingsjaar zo snel mogelijk een beeld heeft van de werkelijke ontvangsten en uitgaven. Daarom voorziet artikel 174 van de Belgische Grondwet dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers elk jaar de eindrekening vaststelt van alle ontvangsten en uitgaven van de Staat.

In dat verband schrijft artikel 4 van de wet van 22 mei 2003 voor dat alle overheidsdiensten volgens een vaste kalender een algemene rekening moeten opstellen die bestaat uit de jaarrekening en uit de uitvoeringsrekening van de begroting. Het definitieve resultaat wordt opgenomen in de rekeningenwet, die door de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd wordt. Hierdoor wordt de begrotingscyclus afgesloten.

 

Meer informatie :