Hoewel de regering overeenstemming bereikte over de begroting voor 2026, kan dit niet vóór 31 december goedgekeurd worden. Het begrotingsjaar 2026 begint dus onder een regime van voorlopige twaalfden.
De regering bereikte overeenstemming over de begroting voor 2026. De Middelenbegroting en de Algemene Uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2026, waarin deze overeenkomst wordt geconcretiseerd, kunnen echter niet voor het einde van dit jaar worden goedgekeurd. Volgens het beginsel van de jaarlijkse begroting wordt de begroting echter voor één jaar vastgesteld.
Daarom moet de regering, ter uitvoering van de wet van 22 mei 2003 (art. 55 tot 58), een ontwerpbegrotingswet ter goedkeuring voorleggen aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, om de werking van de openbare diensten tijdens de eerste maanden van volgend jaar te verzekeren en te verrekenen met de begroting van dit begrotingsjaar 2026.
Deze wet maakt voorlopige kredieten beschikbaar die:
- worden toegekend in tranches van maximaal vier maanden, tenzij wettelijke of contractuele verplichtingen een langere looptijd vereisen
- worden berekend op basis van de overeenkomstige kredieten van de laatst goedgekeurde begroting
- niet mogen worden gebruikt voor uitgaven van nieuwe aard die niet vooraf door de wetgever zijn goedgekeurd.
Deze wet voorziet niet alleen in de vrijgave van een eerste tranche voorlopige kredieten, maar bevat ook een hele reeks financiële bepalingen die met name de inning van belastingen, het aangaan van leningen en de overdracht van inkomsten voor de financiering van de gemeenschappen en gewesten toestaan. Daarom wordt deze wet ook wel de financiewet genoemd.
De voorlopige kredieten worden toegekend voor een periode van drie maanden (januari-februari-maart 2026) en berekend op basis van de overeenkomstige kredieten van de laatste goedgekeurde algemene uitgavenbegroting, in dit geval de wet van 30 juni 2025 houdende de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2025.