Afwijkingen op de begrotingsprincipes

Hoewel de begroting aan begrotingsprincipes onderworpen is, hebben het begrotingskader en de complexiteit ervan tot bepaalde afwijkingen geleid.

Bovendien kan de wetgever voor de duur van het begrotingsjaar afwijkingen toestaan op de begrotingswetgeving. Dit gebeurt aan de hand van specifieke bepalingen in het wetsontwerp van een begroting.

 

Afwijkingen op het principe van de éénjarigheid

Artikel 25 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting van de federale Staat bevat een eerste afwijking op het éénjarigheidsprincipe: “Met ingang van 1 november mogen de verbintenissen nodig om de ononderbroken werking van de diensten te verzekeren worden aangegaan ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar. Het bedrag van deze verbintenissen mag één derde van de goedgekeurde vastleggingskredieten voor de overeenkomstige uitgaven van het lopende jaar niet overschrijden. De vastleggingsakten bepalen dat de leveringen niet mogen geschieden en de diensten niet mogen worden gepresteerd vóór de opening van het begrotingsjaar.”

Dit artikel biedt immers de mogelijkheid om begrotingskredieten aan te wenden vóór 1 januari van het jaar waarvoor ze zijn toegekend. Dit wordt verantwoord doordat prestaties van allerlei aard onontbeerlijk kunnen zijn vanaf de eerste dagen van het jaar. De termijnen om de voorafgaande administratieve formaliteiten te vervullen noodzaken ertoe kredieten vast te leggen vóór het begin van het begrotingsjaar.

Niettemin is het van belang de prerogatieven van de Kamer van Volksvertegenwoordigers te vrijwaren, die de kredieten goedkeurt. Daarom bevat voormeld artikel een dubbele beperking:

  • De uitgaven die mogen worden vastgelegd vóór het begin van het begrotingsjaar, mogen één derde van de goedgekeurde kredieten voor gelijkaardige uitgaven op het lopend jaar niet overschrijden;
  • De vastleggingen  mogen enkel slaan op uitgaven waartoe machtiging is gegeven in de begroting van het lopend begrotingsjaar.

Er dient ook vermeden te worden, dat er beschikt kan worden over kredieten van het volgend jaar voor uitgaven die in werkelijkheid slaan op het lopend jaar. Daarom heeft men in de vastleggingsprocedure bepaald dat de uitvoering ervan niet kan gebeuren vóór de opening van het begrotingsjaar.

Een tweede afwijking wordt voorzien door artikel 19 (wet van 22 mei 2003) waarin het algemeen stelsel van de vastleggingskredieten en de vereffeningskredieten wordt gedefinieerd.

Concreet gezien bepaalt het vastleggingskrediet het bedrag van de verbintenissen die mogen worden aangegaan gedurende het begrotingsjaar, terwijl het vereffeningskrediet van een jaar het mogelijk maakt uitgaven te vereffenen voor verbintenissen ontstaan zowel in de loop van het begrotingsjaar als tijdens de voorgaande jaren. Deze afwijking kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor renovatiewerken aan gebouwen die langer duren dan één begrotingsjaar.

Artikel 62 (wet van 22 mei 2003) biedt de mogelijkheid om begrotingsfondsen op te richten en voert daarmee een derde afwijking in. Sommige ontvangsten worden daarbij toegewezen aan uitgaven waarvan het voorwerp bepaald is bij organieke wet. Als er in een begrotingsfonds nog kredieten beschikbaar zijn op het einde van het begrotingsjaar, dan worden deze overgedragen naar het volgende jaar, in afwijking van het éénjarigheidsprincipe.

Tot slot voorzien de artikelen 55 tot 58 van de wet van 22 mei 2003 de mogelijkheid om gebruik te maken van voorlopige kredieten, en dit voor een beperkte periode (van hooguit 4 maanden) als de algemene uitgavenbegroting niet goedgekeurd werd vóór het begin van het begrotingsjaar. Ook dit kan beschouwd worden als een afwijking van het éénjarigheidsprincipe.

 

Afwijkingen op het specialiteitsprincipe

Een eerste afwijking op het specialiteitsprincipe staat vermeld in artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 : dat de (herverdelingen van de) variabele kredieten van de organieke begrotingsfondsen definieert. Zoals hun naam aangeeft, variëren, de variabele kredieten in functie van de eraan toegewezen ontvangsten. Daardoor wijken ze af van het kwantitatieve aspect van het specialiteitsprincipe.

Een tweede afwijking bestaat in de herverdelingen van de basisallocaties binnen en tussen de programma's, in toepassing van artikel 52 van de wet van 22 mei 2003 en van artikels van de jaarlijkse begrotingswetten. Deze herverdelingen druisen zowel in tegen het kwalitatieve als tegen het kwantitatieve aspect van het specialiteitsprincipe.

Een derde afwijking ontstaat door toepassing van artikel 70 van de wet van 22 mei 2003. Dat artikel voorziet een beraadslaging door de Ministerraad om machtiging te verlenen voor uitgaven boven de limiet van de begrotingskredieten, of om bij gebrek aan kredieten, er nieuwe te openen.

Een vierde afwijking bestaat in het gebruik van provisionele kredieten. Deze worden in de begroting voorzien om voorzienbare bijkomende uitgaven te dekken, maar waarvan het precieze bedrag afhangt van onzekere evoluties en waarvan de juiste verdeling over de diverse departementen nog niet kan gebeuren.  Deze kredieten worden vervolgens bij koninklijk besluit verdeeld over de juiste begrotingsprogramma’s.

Voor gerechtskosten is het bijvoorbeeld onmogelijk om het exacte bedrag te voorzien. De Staat kan wel of niet schuldig bevonden worden, het is onvoorspelbaar welk departement veroordeeld zal worden, en men weet niet op voorhand hoe hoog de procedurekosten en de schadevergoedingen zullen oplopen.

De aanwending van niet-limitatieve kredieten vormt een laatste afwijking op het specialiteitsprincipe. Sommige administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie kunnen immers uitgaven hebben die afhangen van hun activiteitenniveau. Artikel 78 van de wet van 22 mei 2003 voorziet daarom de mogelijkheid voor deze diensten om onder bepaalde voorwaarden niet-limitatieve kredieten in hun begroting te voorzien. 

Tot slot geeft artikel 86 van de wet van 22 mei 2003 administratieve openbare instellingen de mogelijkheid om eveneens niet-limitatieve uitgaven in hun begroting in te schrijven, mits akkoord van de bevoegde minister en van de Minister van Begroting.

 

Afwijkingen op het eenheidsprincipe

Artikel 53 van de wet van 22 mei 2003 voorziet een begrotingscontrole in het eerste trimester. Nieuwe elementen wijzen uit dat dit vaak leidt tot een aanpassingsblad van de Rijksmiddelenbegroting en/of van de Algemene uitgavenbegroting. Deze aanpassingsbladen worden eveneens ter goedkeuring voorgelegd aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

In de praktijk kunnen er in de loop van het begrotingsjaar nog bijkomende aanpassingsbladen ingediend worden. Deze aanpassingsbladen vormen in zekere zin een verbreking van de eenheid van begroting.

De administratieve openbare instellingen met beheersautonomie en de gelijkgestelde instellingen en de openbare instellingen van sociale zekerheid hebben hun eigen begroting die niet opgenomen is in de begrotingswet. Dit wordt beschouwd als een andere afwijking van het eenheidsprincipe.

 

Afwijkingen op het universaliteitsprincipe

De artikelen 63 en 71 van de wet van 22 mei 2003 bevatten een afwijking op het universaliteitsprincipe die de Minister van Financiën machtiging geeft om terugbetalings- en toewijzingsfondsen te openen. Deze fondsen worden gespijsd met ontvangsten die echter niet als dusdanig zullen worden geboekt in de Rijksmiddelenbegroting en kunnen rechtstreeks gebruikt worden om ten onrechte geïnde sommen terug te betalen of om sommige bedragen toe te wijzen aan andere overheden.

De administratieve openbare instellingen met beheersautonomie en de gelijkgestelde instellingen en de openbare instellingen van sociale zekerheid hebben hun eigen begroting die niet opgenomen is in de begrotingswet. Het feit dat deze niet zijn opgenomen, vormt eveneens een afwijking op het universaliteitsprincipe.

 

Afwijkingen op het principe van niet-toewijzing van de ontvangsten

Artikel 62 van de wet van 22 mei 2003 is niet enkel een afwijking op het éénjarigheidsprincipe, maar ook op het principe van niet-toewijzing van de ontvangsten. Zoals eerder vermeld biedt  het de mogelijkheid om begrotingsfondsen op te richten via een organieke wet. Daarbij worden specifieke ontvangsten toegewezen aan de uitgaven waarvan de wet het onderwerp bepaalt.

Een andere afwijking is vervat in de artikelen 63 en 71 van de wet van 22 mei 2003 die, zoals uitgelegd onder de “Afwijkingen op het universaliteitsprincipe”, toestaan om terugbetalings- en toewijzingsfondsen te openen.

De eerste zijn bedoeld om ten onrechte geïnde belastingen en de ermee verbonden verwijlinteresten terug te betalen. De tweede zijn bedoeld om belastingen en heffingen geïnd door de federale overheid door te storten aan andere overheden zoals de Gemeenschappen, de Gewesten en internationale instellingen.

 

Meer informatie :